NJB 2020/703:Vordering van de benadeelde partij en ‘rechtstreekse schade’, art. 51f lid 1 en 361 lid 2 aanhef en onder b Sv: het begrip ‘rechtstreekse schade’ heeft in deze bepalingen dezelfde betekenis. Toepassing overzichtsarrest HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. Voor de vraag of tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Daarbij is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Evenmin geldt met betrekking tot vermogensdelicten als bovengrens aan de schadevergoeding het bedrag dat de verdachte door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verworven. Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. In casu kon het hof oordelen dat sprake was van rechtstreekse schade, nu het heeft vastgesteld dat Rabobank hypotheekhouder was van een pand dat in eigendom toebehoorde aan A, dat A dit pand verhuurde aan de verdachte en dat de verdachte door vernielingen schade aan het pand heeft toegebracht. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat als gevolg van de vernielingen Rabobank een mindere opbrengst ter grootte van het vastgestelde schadebedrag heeft behaald op (de verkoop van) het pand waarvan zij hypotheekhouder was