NJB 2017/427:Rechtsstrijd in appel. Feitelijke grondslag. Tweeconclusieregel. Openbare orde. A vordert terugbetaling door Dexia van al hetgeen in het kader van drie aandelenleaseovereenkomsten is betaald. Zij beroept zich erop dat zij als echtgenote van de contractant de overeenkomsten buitengerechtelijk heeft vernietigd. De kantonrechter wijst de vordering (gedeeltelijk) af wegens verjaring van de vernietigingsbevoegdheid. A gaat in hoger beroep. Het hof stelt bij tussenarrest de vraag aan de orde of A moet worden aangemerkt als gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst en stelt bij eindarrest vast dat dit het geval is. Hoge Raad: De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat Dexia zich, voordat het hof zijn tussenarrest wees, niet erop heeft beroepen dat A moet worden aangemerkt als gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst. Gelet hierop mocht het hof deze afwijzingsgrond niet ambtshalve bijbrengen. Dit wordt niet anders doordat het hof partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich over deze kwestie uit te laten