Einde inhoudsopgave
Wetboek van Strafvordering
Artikel 339 [Bewijsmiddelen]
Geldend
Geldend vanaf 01-01-1926
- Redactionele toelichting
Bij de tekstplaatsing zijn de artikelen vernummerd in 1 t/m 592.
- Bronpublicatie:
30-07-1925, Stb. 1925, 343 (uitgifte: 01-01-1925, kamerstukken/regelingnummer: -)
29-06-1925, Stb. 1925, 308 (uitgifte: 29-07-1925, kamerstukken/regelingnummer: -)
15-01-1921, Stb. 1921, 14 (uitgifte: 28-01-1921, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-01-1926
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
04-12-1925, Stb. 1925, 465 (uitgifte: 01-01-1925, kamerstukken/regelingnummer: -)
04-12-1925, Stb. 1925, 465 (uitgifte: 01-01-1925, kamerstukken/regelingnummer: -)
04-12-1925, Stb. 1925, 465 (uitgifte: 01-01-1925, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
1.
Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
- 1°
eigen waarneming van den rechter;
- 2°
verklaringen van den verdachte;
- 3°
verklaringen van een getuige;
- 4°
verklaringen van een deskundige;
- 5°
schriftelijke bescheiden.
2.
Feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid behoeven geen bewijs.