Rb. Amsterdam, 20-07-2011, nr. 458982 / HA ZA 10-1545
ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6170
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
20-07-2011
- Zaaknummer
458982 / HA ZA 10-1545
- LJN
BR6170
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Pensioenen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6170, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 20‑07‑2011; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑07‑2011
Inhoudsindicatie
Levensverzekering, derde begunstigde, nabestaandenpensioen Heeft de echtgenote van een inmiddels overleden verzekerde redelijkerwijs mogen vertrouwen op hetgeen verzekeraar schriftelijk en ook telefonisch heeft meegedeeld omtrent de hoogte van het nabestaandenpensioen?
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 458982 / HA ZA 10-1545
Vonnis van 20 juli 2011
in de zaak van
[A],
wonende te --,
eiseres,
advocaat mr. T. van der Dussen te Breda,
tegen
de naamloze vennootschap SRLEV N.V.,
gevestigd te Alkmaar,
gedaagde,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [A] en Zwitserleven genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 7 juli 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin vermelde stukken en/of proceshandelingen,
- het proces-verbaal van comparitie van 15 maart 2011 met de daarin vermelde stukken en/of proceshandelingen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Wijlen de echtgenoot van [A], [B] (hierna: de echtgenoot van [A]), heeft in april 2004 via zijn toenmalige werkgever Netalim A.C.S. en via een tussenpersoon (hierna: de tussenpersoon) bij Zwitserleven een Zwitserleven Vision BelegPensioen afgesloten. Dit pensioen werd per 1 februari 2003 verzekerd.
2.2. Op het verzekeringsoverzicht van Zwitserleven met als mutatiedatum 1 april 2004 staat onder meer:
“Product Zwitserleven Vision BelegPensioen
Werknemer De heer [B]
[…]
Werkgever Netalim A.C.S.
[…]
Datum van indiensttreding : 1 februari 2003
Pensioendatum : 1 juli 2024
[…]
Voor de berekening van nabestaandenpensioenen gelden de volgende uitgangspunten:
Opbouwpercentage NP : 1,4 %
[…]
Pensioenaanspraken
[…]
Nabestaandenpensioen vóór pensioendatum (module ONW)
- Levenslang jaarlijks nabestaandenpensioen € 18.300,00
Op het leven van mevrouw [A], geboren op 29 mei 1960”
2.3. In de door Netalim A.C.S. aan de echtgenoot van [A] verstrekte pensioenbrief van 11 mei 2004 staat, voor zover van belang:
“PENSIOENAANSPRAKEN
De pensioenregeling omvat de volgende pensioenaanspraken:
[…]
- Nabestaandenpensioen bij overlijden vóór uw pensioendatum
Een nabestaandenpensioen ten behoeve van uw partner, ingaande bij overlijden vóór uw pensioendatum en dan uit te keren zolang uw partner leeft.
[…]
PENSIOENBEPALING
[…]
- Nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum
Het nabestaandenpensioen bedraagt voor elk te bereiken dienstjaar 1,4% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag.
[…]
RECHTEN BIJ ONTSLAG
[…]
Het dan te verzekeren nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum bedraagt niet meer dan het evenredig deel van het voor beëindiging van uw dienstverband verzekerde nabestaandenpensioen, waarbij n de totale diensttijd is.”
2.4. In het aan de echtgenoot van [A] verstrekte rekenvoorbeeld staat op blad 2 onder andere:
“Te verzekeren pensioenen
bij overlijden van de verzekerde voor 01-07-2024:
- levenslang nabestaandenpensioen voor de partner € 18.300”
En op blad 5 staat voor zover relevant:
“Pensioenvoorbeelden
[…]
Leeftijd Nabestaanden-
verzekerde pensioen voor
bij (eerdere) de partner
pensionering op
01-07-2020 60 € 8.447
01-07-2021 61 € 9.494
01-07-2022 62 € 10.667
01-07-2023 63 € 11.989”
2.5. Per 1 augustus 2004 is de echtgenoot van [A] uit dienst getreden van Netalim A.C.S.
2.6. Op het “Polisblad polismodule ONW” van Zwitserleven met als mutatiedatum 1 augustus 2004 staat onder meer:
“Nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum.
Levenslang jaarlijks nabestaandenpensioen € 15.372,00
op het leven van mevrouw [A], […] ingaande na overlijden van de verzekerde vóór 1 juli 2024, achteraf uit te keren in maandelijkse termijnen met slotuitkering.”
2.7. In het door Zwitserleven aan de echtgenoot van [A] verstrekte waardeoverzicht van februari 2006 over het jaar 2005 staat onder meer:
“Investeringen en onttrekkingen
[…]
Premie voor verzekeringsdekkingen € 978,99”
2.8. In het door Zwitserleven aan de echtgenoot van [A] verstrekte waardeoverzicht van februari 2008 over 2007 staat voor zover relevant:
“Investeringen en onttrekkingen
[…]
Premie voor verzekeringsdekkingen € 1.111,87”
2.9. In het door Zwitserleven aan de echtgenoot van [A] verstrekte waardeoverzicht van februari 2009 over het jaar 2008 staat onder andere:
“Informatie over uw beleggingsverzekering in 2008
[…]
Premies overlijdensrisicodekking € 1.080,79”
2.10. Op 30 juni 2009 is de echtgenoot van [A] overleden.
2.11. In een brief van 17 augustus 2009 van Zwitserleven aan de tussenpersoon staat, voor zover relevant:
“Wij ontvingen het bericht dat de heer [B] is overleden.
[…]
Op de polis staat vermeld dat de overlevingsrente ad € 15.372,-- bedraagt. Dit is helaas niet juist. De overlevingsrente bedraagt € 1.281,71 per jaar en zal uit hoofde van de polis levenslang worden uitgekeerd aan mevrouw [A]. Wij bieden u onze excuses hiervoor aan.”
2.12. In een overzicht van februari 2010 dat door Zwitserleven is verstrekt staat voor zover van belang:
“Informatie over uw beleggingsverzekering in 2009
[…]
Premies overlijdensrisicodekking € 65,27”
2.13. In een e-mail van 4 maart 2011 van de huidige tussenpersoon van [A], [C] van [D] (hierna: [C]), aan haar advocaat staat voor zover van belang:
“Ik heb twee aantekeningen van telefoongesprekken met Zwitserleven, te weten op: 25-07-2009 (voor het overlijden van [B]) [E] bevestigd het verzekerde bedrag van het nabestaandenpensioen van €15.372 en dit doet ze vervolgens nogmaals op 31-08-2009(na het overlijden van [B]).
Op diezelfde dag is er overigens (blijkt uit mijn aantekening) intern bij Zwitserleven ook nog contact geweest over deze polis met de heer Compagnie en Unit-Manager [F]. Bij deze aantekening staat letterlijk“[E] is het met ons eens”.
Het zou ook zeer uitzonderlijk zijn wanneer een medewerker van Zwitserleven ons andere informatie gegeven zou hebben aangezien de polis bij hun in het systeem ook ingevoerd stond met een verzekerd nabestaandenpensioen van €15.372. Er was dus geen sprake van een lager verzekerd nabestaandenpensioen.
Overigens heb ik in die tijd ook contact gezocht met de tussenpersoon(Optima) die de polis ooit afgesloten en beheert heeft. Uit mijn aantekeningen van 01-09-2009 blijkt dat Optima, bij monde van [G], aangeeft dat als de risicopremies betaald zijn dat de polis dan correct is.”
2.14. In een e-mail van 31 augustus 2009 van [E] van Zwitserleven aan [C] staat, voor zover van belang:
“De polis van de heer [B] is per 1 augustus 2004 premievrij gemaakt. Op het moment van premievrijmaking wordt ook het Nabestaandenpensioen (de overlevingsrente) evenredig verlaagd. Er was oorspronkelijk 18.300,-- euro verzekerd. Na premievrijmaking (let wel de polis heeft maar van 1-2-2003 t/m 1-8-2004 gelopen) zou dit moeten worden verlaagd naar 1.281,71 euro op jaarbasis. Per abuis heeft men destijds in plaats van dit bedrag op jaarbasis te verzekeren, maandbasis aangehouden waardoor het bedrag van 12 * 1.281 euro (afgerond) = 15.372,-- euro op de polis terecht is gekomen.
Inmiddels is de heer [B] overleden en is dit hersteld. Waarschijnlijk heeft mijn collega [H] dit telefonisch toegelicht aan de heer van [I] (Optima).”
3. Het geschil
3.1. [A] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Zwitserleven verplicht is om [A] per direct een levenslang jaarlijks nabestaandenpensioen uit te keren van € 15.372,=, vermeerderd met kosten.
3.2. Zwitserleven voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Ter beoordeling staat allereerst de vraag of [A] ten aanzien van het nabestaandenpensioen een beroep toekomt op derdenbescherming in de zin van artikel 3:36 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Eerst zal echter worden vastgesteld of er sprake is van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW, hetgeen door [A] is gesteld en door Zwitserleven is betwist.
Derdenbeding?
4.2. Of de aanwijzing van een derde als begunstigde van een verzekeringsuitkering (in het onderhavige geval een nabestaandenpensioen) als derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW kan worden aangemerkt, is een kwestie van uitleg van het beding. Het komt daarbij aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
4.3. In de pensioenbrief van 11 mei 2004 staat dat de echtgenoot van [A] en Zwitserleven zijn overeengekomen dat Zwitserleven een nabestaandenpensioen zal uitkeren bij overlijden vóór de pensioendatum van de echtgenoot van [A], ten behoeve van zijn partner (zijnde [A]), uit te keren zolang [A] leeft. Aldus heeft de aanwijzing van [A] de strekking om haar na aanvaarding een eigen recht te geven op het verzekerde nabestaandenpensioen. Dit is aan te merken als een beding ten behoeve van een derde, en dus als derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Zwitserleven heeft onvoldoende feiten en of omstandigheden naar voren gebracht om aannemelijk te maken dat dit in het onderhavige geval anders zou zijn.
Aanvaarding?
4.4. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Zwitserleven betoogd dat in het onderhavige geval alleen sprake is van een voorwaardelijk recht dat pas onherroepelijk wordt als het wordt aanvaard, hetgeen volgens Zwitserleven niet is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat nu [A] aanspraak heeft gemaakt (ook schriftelijk) op uitkering van het nabestaandenpensioen, van aanvaarding sprake is. Aldus komt de rechtbank toe aan de vraag of [A] bescherming toekomt in de zin van artikel 3:36 BW.
Artikel 3:36 BW
4.5. De rechtbank is van oordeel dat een derde-begunstigde in beginsel mag afgaan op hetgeen door de verzekeringsmaatschappij wordt meegedeeld. Fouten kunnen echter worden gemaakt en moeten in beginsel ook teruggedraaid kunnen worden. De vraag die hier voorligt is of [A] redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen op hetgeen Zwitserleven schriftelijk (onder andere in het polisblad van 1 augustus 2004) en telefonisch heeft meegedeeld omtrent de hoogte van het nabestaandenpensioen. In tegenstelling tot hetgeen door Zwitserleven is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de fout niet direct zichtbaar is geweest. Noch de tekst van de pensioenbrief, noch het aan de echtgenoot van [A] verstrekte rekenvoorbeeld is dusdanig duidelijk dat [A] had moeten inzien dat het op het polisblad van 1 augustus 2004 vermelde bedrag aan nabestaandenpensioen van
€ 15.372,= niet juist was. Voor een leek is niet direct en evident duidelijk dat het nabestaandenpensioen zoals vermeld op het polisblad van 1 augustus 2004 niet correct zou zijn. Het gaat hier om een ingewikkeld pensioenproduct en dat [A] over specialistische kennis op dit gebied zou beschikken is gesteld noch gebleken. Of dat anders was voor de echtgenoot van [A] acht de rechtbank -gezien de andere positie die [A] als derde-begunstigde had- niet relevant.
4.6. [A] heeft gesteld dat toen eind maart 2009 duidelijk was dat haar echtgenoot niet beter zou worden, zij en haar echtgenoot begin april 2009 met hun tussenpersoon hebben gesproken en de tussenpersoon vervolgens contact heeft opgenomen met Zwitserleven met de vraag of het gecommuniceerde bedrag van € 15.372,= aan nabestaandenpensioen correct was. [A] en haar echtgenoot, zo stelt [A], waren aan het overwegen een ander huis te kopen. De beslissing daarover was mede afhankelijk van de financiële situatie waarop [A] kon rekenen. De verkregen informatie heeft er, aldus nog steeds [A], toe geleid dat zij daadwerkelijk een ander huis heeft gekocht. Zwitserleven heeft dit betwist.
4.7. De rechtbank is van oordeel dat indien de tussenpersoon van [A] telefonisch contact heeft opgenomen met Zwitserleven omstreeks april 2009 (in ieder geval voordat de echtgenoot van [A] is komen te overlijden) en Zwitserleven op dat moment heeft bevestigd dat het bedrag aan nabestaandenpensioen zoals vermeld op het polisblad van 1 augustus 2004 correct was, [A] redelijkerwijze op de juistheid van deze mededeling van Zwitserleven heeft mogen afgaan. Alsdan is sprake van een bij herhaling mededelen van een nabestaandenpensioen van € 15.372,= ter zake waarvan [A] op de juistheid mocht vertrouwen. Een en ander geldt te meer daar Zwitserleven ter comparitie heeft erkend dat de premie die is betaald voor het nabestaandenpensioen in overeenstemming is met het bedrag aan nabestaandenpensioen zoals vermeld is op het polisblad van 1 augustus 2004. Dit blijkt overigens ook uit de omstandigheid dat Zwitserleven na het ontdekken van de fout de premie heeft verlaagd van rond de € 1.000,= (zie hiervoor onder 2.7 tot en met 2.9) naar
€ 65,27 (zie hiervoor onder 2.12). Nu [A] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, ligt de bewijslast ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bij haar. De rechtbank zal [A], overeenkomstig haar bewijsaanbod, opdragen te bewijzen dat haar tussenpersoon telefonisch contact heeft opgenomen met Zwitserleven omstreeks april 2009 (in ieder geval voordat de echtgenoot van [A] is komen te overlijden) en Zwitserleven op dat moment heeft bevestigd dat [A] bij overlijden van haar echtgenoot voor de pensioendatum recht zou hebben op een nabestaandenpensioen van € 15.372,=.
4.8. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:36 BW is voorts vereist dat [A] in redelijk vertrouwen op de juistheid van de veronderstelling dat haar het nabestaandenpensioen zoals vermeld is op de polis van 1 augustus 2004 toekomt, heeft gehandeld. Hierover heeft [A] gesteld dat zij mede op basis van het nabestaandenpensioen de beslissing heeft genomen een ander huis te kopen. Ook dit wordt door Zwitserleven betwist zodat [A], op wie ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast rust, ook tot het bewijs hiervan -overeenkomstig haar bewijsaanbod- zal worden toegelaten.
4.9. De omstandigheid dat na het overlijden van de echtgenoot van [A] nogmaals contact heeft plaatsgevonden tussen [A] en Zwitserleven doet aan het voorgaande niet af en behoeft daarom geen bespreking.
Slagen de bewijsopdrachten?
4.10. Indien [A] slaagt in de eerste bewijsopdracht zoals hiervoor vermeld, is de rechtbank van oordeel dat [A] redelijkerwijs er van uit heeft mogen gaan dat de hoogte van het nabestaandenpensioen zoals Zwitserleven heeft vermeld in het polisblad van 1 augustus 2004 en tevens telefonisch heeft meegedeeld aan [A] vlak voor het overlijden van haar echtgenoot, correct was. Bij het slagen van ook de tweede bewijsopdracht heeft [A] in redelijk vertrouwen op de juistheid van het door Zwitserleven gecommuniceerde nabestaandenpensioen gehandeld, zodat Zwitserleven op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep kan doen en de door [A] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. Anders dan Zwitserleven heeft betoogd acht de rechtbank een dergelijke uitkomst (in dat geval) gelet op het in het voorgaande sub 4.5 overwogene niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Slaagt de eerste bewijsopdracht niet?
4.11. Indien [A] niet slaagt in de eerste bewijsopdracht, is de rechtbank van oordeel dat [A] geen rechtens te honoreren verwachtingen op een recht op het nabestaandenpensioen zoals vermeld op het polisblad van 1 augustus 2004 heeft mogen koesteren en zal de vordering van [A] worden afgewezen.
Slaagt de tweede bewijsopdracht niet?
4.12. Indien [A] niet slaagt in de tweede bewijsopdracht is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [A] in redelijk vertrouwen op de juistheid van de veronderstelling dat haar een nabestaandenpensioen toekwam van
€ 15.372,= per jaar heeft gehandeld en zal haar vordering worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - hoe dan ook worden afgewezen. [A] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [A] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
4.14. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. draagt [A] op te bewijzen dat haar tussenpersoon telefonisch contact heeft opgenomen met Zwitserleven omstreeks april 2009 (in ieder geval voordat de echtgenoot van [A] is komen te overlijden) en Zwitserleven op dat moment heeft bevestigd dat [A] bij overlijden van haar echtgenoot voor de pensioendatum recht zou hebben op een nabestaandenpensioen van € 15.372,=,
5.2. draagt [A] op te bewijzen dat zij mede op basis van het nabestaandenpensioen van € 15.372,= de beslissing heeft genomen een ander huis te kopen,
5.3. verwijst de zaak naar de rol van 17 augustus 2011 opdat [A] alsdan kan meedelen of zij van de gelegenheid tot bewijslevering door getuigen en zo ja, door hoeveel, gebruik maakt, onder opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel wordt voortgeprocedeerd,
5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.?