Hof Amsterdam, 20-06-2023, nr. 22/00235
ECLI:NL:GHAMS:2023:1599
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
20-06-2023
- Zaaknummer
22/00235
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:1599, Uitspraak, Hof Amsterdam, 20‑06‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:332
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2023/1092
NTFR 2023/1355 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
Uitspraak 20‑06‑2023
Inhoudsindicatie
In het principaal beroep klaagt belanghebbende erover dat de rechtbank: het beroep heeft opgevat als mede gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaar van 6 juni 2019; geen dwangsom heeft toegekend voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over dat dwangsombeschikking; geen schadevergoeding heeft toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn; niet heeft beslist over wettelijke rente, en niet een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. De ontvanger heeft in het principaal hoger beroep alleen inhoudelijk verweer gevoerd over de vergoeding van proceskosten, met de strekking dat gemachtigde niet een derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. In het incidenteel hoger beroep heeft de ontvanger aangevoerd dat de rechtbank: het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende; het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb van een bezwaarprocedure tegen de dwangsombeschikking geen sprake kan zijn, en ten onrechte de ontvanger heeft opgedragen om binnen twee weken na verzending van haar uitspraak alsnog uitspraak op het bezwaar van 25 november 2019 te doen op straffe van een dwangsom.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 22/00235
20 juni 2023
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] C.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [A] )
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
tegen de uitspraak van 23 februari 2022 in de zaak met kenmerk HAA 20/2052 V van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de ontvanger.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Die uitspraak is gedaan op een beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over een dwangsombeschikking van 14 oktober 2019.
1.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- -
een aanvulling van de gronden van het hoger beroep van belanghebbende (door de griffier aan de ontvanger doorgezonden bij brief van 7 juni 2022);
- -
een verweerschrift van de ontvanger, tevens houdende de gronden van het incidenteel hoger beroep (met dagtekening 18 juli 2022 en per post ingekomen ter griffie van het Hof op 20 juli 2022, zodat het incidenteel hoger beroep tijdig is ingesteld),
- -
een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep van belanghebbende (in het stuk aangeduid als ‘conclusie van repliek/antwoord’), en
- -
een nader stuk van belanghebbende.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
2.1.
Belanghebbende is in het handelsregister ingeschreven als commanditaire vennootschap. Zij heeft één (parttime) werknemer in de persoon van [A] , haar gemachtigde, en verricht sinds 2006 geen economische activiteiten meer.
2.2.
[stichting] is de beherend vennoot van belanghebbende. Haar enige bestuurder is [A] en haar statutaire doel is het optreden als beherend vennoot in belanghebbende. Commanditair vennoot van belanghebbende is [B] Limited. Zij heeft samen met [stichting] in 1998 belanghebbende opgericht en werd bij de oprichting vertegenwoordigd door haar bestuurder [A] . [stichting] werd destijds vertegenwoordigd door [C] als bestuurder.
2.3.
[A] treedt als gemachtigde op voor een beperkt aantal aan hem gerelateerde (rechts)personen, zijnde (in het bijzonder):
- -
belanghebbende;
- -
[stichting] ;
- -
[D] , zijn vader;
- -
[E] en [F] , bewoners van een woning waarvan zijn vader eigenaar is;
- -
[G] , een voormalig werknemer van belanghebbende (vrachtwagenchauffeur);
- -
[C] , die van 1998 tot en met 2006 bestuurder (secretaris) was van [stichting] , en
- -
[H] , de partner van [C] .
2.4.
De inspecteur van de Belastingdienst heeft op 16 april 2019 aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonheffingen over de tweede periode van 2019 opgelegd (aanslagnummer [nummer] ; de naheffingsaanslag). Tegen die aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft zij bij brief van 30 augustus 2019 weer ingetrokken.
2.5.
De ontvanger heeft belanghebbende met dagtekening 23 mei 2019 een aanmaning voor de betaling van de naheffingsaanslag gestuurd onder berekening van € 7 aanmaningskosten. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.
2.6.
Met dagtekening 17 juni 2019 is op de aanmaning een dwangbevel van de ontvanger gevolgd onder berekening van € 42 dwangbevelkosten. Daartegen heeft belanghebbende ook bezwaar gemaakt.
2.7.
Belanghebbende heeft de ontvanger in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar over de aanmaning en over het dwangbevel, althans over de daarbij berekende kosten.
2.8.
Bij brief van 15 oktober 2019 aan [I] / [A] heeft de ontvanger uitspraken gedaan op de in 2.5 en 2.6 bedoelde bezwaren. Daarbij is het totaalbedrag van de in rekening gebrachte kosten verminderd van € 49 tot nihil.
2.9.
Ook is een dwangsombeschikking aan [I] / [A] gestuurd, die een dag eerder, op 14 oktober 2019, is gedagtekend (de dwangsombeschikking). Daarin is vermeld:
“Op 9 oktober 2019 ontving ik uw brief dwangsom bij niet tijdig beslissen van 17 september 2019 waarin u namens uw cliënt [X] aangeeft dat de beslistermijn met betrekking tot bezwaar tegen de in rekening gebrachte vervolgingskosten op de aanslag Loonheffing 2019 met aanslagnummer [nummer] is verstreken. (…)
(…)
Op 15 oktober 2019 heeft de inspecteur schriftelijk beslist.
De beslissing is hiermee binnen twee weken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken geformaliseerd en daarom heeft uw cliënt geen recht op een dwangsom ex. artikel 4:17 lid 2 en 3 van de Algemene wet Bestuursrecht.
U kunt tegen mijn beslissing om uw cliënt geen dwangsom toe te kennen, in bezwaar gaan. Op de volgende pagina leest u hoe u dat doet.”
2.10.
Tegen de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2019 heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld, geregistreerd onder kenmerk HAA 20/394. In dat beroep heeft belanghebbende mede de dwangsombeschikking betwist.
2.11.
Bij uitspraak van 20 oktober 2021 heeft de rechtbank de dwangsombeschikking vernietigd en beslist dat de ontvanger een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442. Tevens heeft de rechtbank € 500 vergoeding van immateriële schade toegekend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
2.12.
Het hoger beroep tegen die uitspraak, bij het Hof geregistreerd onder kenmerk 21/01793, is in een uitspraak buiten zitting van 31 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen die uitspraak ingestelde verzet is bij uitspraak van 11 april 2023 ongegrond verklaard.
2.13.
Bij brief van 25 november 2019 heeft belanghebbende ook nog – separaat – bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking. Het bezwaarschrift is niet voorzien van gronden. De ontvanger heeft tot op heden geen uitspraak gedaan op het bezwaar.
2.14.
Met dagtekening 24 januari 2020 heeft belanghebbende de ontvanger in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op dat bezwaar. Bij brief van 24 maart 2020 heeft belanghebbende bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Op dat beroep is de bestreden uitspraak gevolgd.
3. Uitspraak van de rechtbank
In de bestreden uitspraak, die is gedaan op verzet en op grond van artikel 8:55, tiende lid van de Awb ook direct in de hoofdzaak, heeft de rechtbank als volgt beslist:
“De rechtbank:
- -
verklaart het verzet gegrond;
- -
verklaart het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 6 juni 2019 tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk;
- -
verklaart het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 25 november 2019 tegen de dwangsombeschikking gegrond;
- -
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- -
draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van 25 november 2019 tegen de dwangsombeschikking van 14 oktober 2019 binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak en
- -
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.”
4. Geschil in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
4.1.
In het principaal beroep klaagt belanghebbende erover dat de rechtbank:
- i.
het beroep heeft opgevat als mede gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaar van 6 juni 2019;
- ii.
geen dwangsom heeft toegekend voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over dat dwangsombeschikking;
- iii.
geen schadevergoeding heeft toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn;
- iv.
niet heeft beslist over wettelijke rente, en
- v.
niet een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.
4.2.
De ontvanger heeft in het principaal hoger beroep alleen inhoudelijk verweer gevoerd over de vergoeding van proceskosten, met de strekking dat gemachtigde [A] niet een derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
4.3.
In het incidenteel hoger beroep heeft de ontvanger aangevoerd dat de rechtbank:
- i.
het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende;
- ii.
het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb van een bezwaarprocedure tegen de dwangsombeschikking geen sprake kan zijn, en
- iii.
ten onrechte de ontvanger heeft opgedragen om binnen twee weken na verzending van haar uitspraak alsnog uitspraak op het bezwaar van 25 november 2019 te doen op straffe van een dwangsom.
4.4.
Voor het overige verwijst het Hof naar de stukken van het geding.
5. Beoordeling
Vooraf
5.1.
Dit is wat een surrealistische zaak. De ontvanger is in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar over vervolgingskosten. Bijna gelijktijdig met het uiteindelijk doen van die uitspraken, op 15 december 2019, heeft de ontvanger de dwangsombeschikking gegeven waarop deze zaak is terug te voeren. Die dwangsombeschikking kon belanghebbende vervolgens betwisten in het beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen de vervolgingskosten (artikel 4:19, eerste lid, van de Awb). Dat heeft belanghebbende ook gedaan met vernietiging van de dwangsombeschikking en het alsnog toekennen van de maximale dwangsom tot gevolg (zie 2.11).
5.2.
Maar belanghebbende meende kennelijk ook nog – volstrekt overbodig – separaat tegen de dwangsombeschikking bezwaar te moeten maken, oftewel een tweede rechtsmiddel aan te wenden. Omdat de ontvanger niet tijdig uitspraak zou hebben gedaan op dat bezwaar, vordert belanghebbende nu nog een dwangsom van € 1.442. En daar blijft het niet bij, want naar het Hof begrijpt meent belanghebbende inmiddels recht te hebben op een bedrag van (ten minste) € 14.909,50, bestaande uit:
- -
€ 1.442 dwangsom voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over de periode tot het instellen van beroep;
- -
€ 7.500 dwangsom conform de bestreden uitspraak, omdat de ontvanger nog steeds niet uitspraak op bezwaar heeft gedaan over de dwangsombeschikking;
- -
€ 500 vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg;
- -
€ 4.919,50 proceskostenvergoeding (eigenlijk een integrale proceskostenvergoeding, maar bij gebrek aan onderbouwing van die kosten is uitgegaan van het forfait uit het Besluit proceskosten bestuursrecht), en
- -
€ 548 griffierecht in hoger beroep.
Met de door de rechtbank in het eerdere beroep al toegekende dwangsom van € 1.442 en schadevergoeding van € 500, zou belanghebbende volgens haarzelf dus ruim € 16.500 van de belastingbetaler moeten ontvangen vanwege tekortkomingen in procedures tegen € 49 kosten.
5.3.
Nog opmerkelijker is dat belanghebbende in deze procedure op geen enkel moment erop heeft gewezen dat zij de dwangsombeschikking al – met succes – heeft betwist in het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de vervolgingskosten. Dit zwijgen geeft, in combinatie met de vele procedures die (de gemachtigde van) belanghebbende voert waarin vooral procedurele klachten worden aangevoerd, aanleiding tot twijfel over de achtergrond van het overbodige bezwaar. Het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat belanghebbende en haar gemachtigde, tevens haar enig werknemer en middellijk bestuurder, procederen met als enige doel om (nog meer) dwangsommen, schadevergoedingen en kostenvergoedingen in de wacht te slepen. De maatschappelijke kosten van die procedures worden dan kennelijk op de koop toegenomen.
5.4.
De ontvanger heeft overigens ook pas in zijn verweerschrift in hoger beroep erop gewezen dat de rechtbank de dwangsombeschikking al heeft vernietigd in de in 2.11 bedoelde uitspraak. Ook daarnaast had hij meer kunnen doen om te voorkomen dat belanghebbende in deze zaak zo ver heeft kunnen komen (de rechtbank heeft haar beroep gegrond immers verklaard). Vooral had hij op diverse momenten tijdig(er), adequater en duidelijker kunnen communiceren. Verder heeft hij niet een overzichtelijk en volledig beeld van deze zaak gepresenteerd, zeker niet bij de rechtbank. Dat verklaart goeddeels de uitspraak van de rechtbank en heeft de zaak ook voor het Hof veel bewerkelijker dan nodig gemaakt.
5.5.
Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, roept de vraag op of belanghebbende misbruik heeft gemaakt van het procesrecht. Dat zal het Hof om proceseconomische redenen echter niet nader beoordelen. De voor de ontvanger nadelige beslissingen in de uitspraak van de rechtbank moeten namelijk worden vernietigd (zie hierna). Het voorgaande vatten belanghebbende en haar gemachtigde het beste op als een waarschuwing voor toekomstige zaken, en de ontvanger als een aansporing.
Incidenteel hoger beroep
5.6.
De ontvanger heeft in het incidenteel hoger beroep terecht aangevoerd dat voor betwisting van de dwangsombeschikking van 14 oktober 2019 plaats was in de beroepsprocedure tegen de uitspraken op bezwaar over de kosten van 15 oktober 2019 (zie 5.1 hiervoor). Belanghebbende kon vervolgens niet ook nog bezwaar maken tegen de dwangsombeschikking. Het bezwaar van belanghebbende van 25 november 2019 tegen de dwangsombeschikking is daarom (kennelijk) niet-ontvankelijk.
5.7.
Omdat belanghebbende geen enkel belang heeft bij de uitspraak op bezwaar, acht het Hof het niet passend de ontvanger op te dragen die uitspraak alsnog binnen een zeker termijn te doen op straffe van een dwangsom. Voldoende is de constatering dat de uitspraak niet tijdig is gedaan (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb). De verdergaande beslissing van de rechtbank zal het Hof vernietigen.
Principaal hoger beroep
5.8.
De klacht van belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan over het niet tijdig doen van uitspraak op een bezwaar van 6 juni 2019 over aanmaningskosten, behoeft geen behandeling. Bij vernietiging van de beslissing die de rechtbank in zoverre heeft genomen, heeft zij immers geen belang (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033).
5.9.
Verder faalt de klacht over de dwangsom. Geen dwangsom kan worden verbeurd voor het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307). Daarnaast staat de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaar aan verschuldigdheid van een dwangsom in de weg (artikel 4:17, zesde lid, van de Awb).
5.10.
Tevens faalt de klacht over vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Die vergoeding heeft belanghebbende immers al gehad (zie 2.11).
5.11.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat [A] als derde beroepsmatig rechtsbijstand aan belanghebbende verleent. Voor de motivering wordt verwezen naar de uitspraak van het Hof van 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, en naar de in 2.1 tot en met 2.3 weergegeven feiten. Een vergoeding van reiskosten of verletkosten voor de procedure in eerste aanleg heeft belanghebbende niet verzocht bij de rechtbank en zij heeft daarvoor overigens ook onvoldoende feiten gesteld.
5.12.
De rechtbank heeft ten slotte terecht geen kostenvergoeding toegekend voor een uittreksel uit het handelsregister. Het door belanghebbende overgelegde uittreksel dateert van 21 oktober 2019. De kosten daarvan kunnen daarom niet hun oorzaak vinden in het beroep, dat pas bij brief van 24 maart 2020 is ingesteld. Bovendien valt te betwijfelen of het opgevoerde bedrag van € 20 overeenkomt met de werkelijk gemaakte kosten.
5.13.
Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot gegrondverklaring van het principaal hoger beroep.
Slotsom
5.14.
Het principaal hoger beroep is ongegrond en het incidenteel hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient gedeeltelijk te worden vernietigd.
6. Kosten
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin:
- -
i) de ontvanger is opgedragen alsnog uitspraak te doen op het bezwaar van 25 november 2019 tegen de dwangsombeschikking van 14 november 2019, en
- -
ii) is bepaald dat de ontvanger een dwangsom verbeurt bij het niet tijdig gevolg geven aan die opdracht.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van S.M.P. Harinandansingh, als griffier. De beslissing is op 20 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.